CIOWEB

Interkerkelijk contact in overheidszaken

Archief voor februari, 2010

Raad van State: Advies over afschaffing verbod op godslastering

De vraag of een verbod op godslastering moet of kan voortbestaan, wordt niet beslist door harde grondrechtelijke grenzen. Dat concludeert de Raad van State in zijn advies van 26 januari 2010 over het wetsvoorstel van de Kamerleden Van der Ham, De Wit en Teeven, waarin wordt voorgesteld het verbod op te heffen. De vrijheid van meningsuiting en het gelijkheidsbeginsel verplichten niet tot afschaffing van het verbod op godslastering, maar de vrijheid van godsdienst staat aan afschaffing ook niet in de weg. De Kamerleden hebben het advies van de Raad van State op 15 juni 2010 openbaar gemaakt. Om het voorstel tot schrapping van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht goed te kunnen beoordelen, heeft de Raad ook de wetsgeschiedenis van de introductie van het verbod op godslastering in 1931 onder de loep genomen. Het voorstel werd destijds nadrukkelijk mede gemotiveerd door angst voor openbare-ordeverstoringen, maar de toelichting plaatste het voorstel ook in de context van de vrijheid van godsdienst. Het recht op vrijheid van godsdienst betekent ook dat de overheid verplicht is tot op zekere hoogte te waarborgen dat mensen die vrijheid ook kunnen uitoefenen. Dat is vastgelegd in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Door de afschaffing van het verbod op godslastering uitsluitend vanuit de vrijheid van meningsuiting te benaderen, doen de indieners naar het oordeel van de Raad onvoldoende recht aan de gelijkwaardige plaats die de vrijheid van godsdienst naast de vrijheid van meningsuiting inneemt in de Grondwet en de mensenrechtenverdragen. Ook is de Raad van mening dat de indieners van het wetsvoorstel bij het benadrukken van het belang van de vrijheid van meningsuiting de nodige aandacht moeten besteden aan het feit dat beperking van deze vrijheid in bepaalde gevallen gerechtvaardigd kan zijn. Uitgangspunt voor de Raad is dat een verbodsbepaling die een beperking van de vrijheid van meningsuiting inhoudt, alleen moet worden gehandhaafd, als daarvoor een dringende maatschappelijke behoefte bestaat. Bij de beoordeling van het voorstel tot afschaffing van het verbod op godslastering moeten dan ook naast de beperking op de vrijheid van meningsuiting waartoe het verbod leidt, mogelijke maatschappelijke gevolgen van afschaffing worden betrokken. Zo vraagt de Raad aandacht voor de positie van religieuze minderheden. De bescherming van minderheden ten opzichte van meerderheden vormt een belangrijk grondrechtelijk en democratisch beginsel. De bescherming van religieuze minderheden in hun godsdienstige gevoelens kan een argument vormen voor de handhaving van het verbod op godslastering. Afschaffing van het verbod zou immers kunnen worden opgevat als een negatief signaal ten aanzien van die bescherming. Ook valt niet uit te sluiten dat de discussie en emoties die afschaffing van het verbod op dit moment zouden kunnen oproepen en de daaruit mogelijk voortvloeiende spanningen, een voldoende dringende maatschappelijke behoefte kunnen vormen om van afschaffing af te zien. De Raad onderkent anderzijds dat de tekst en opzet van de artikelen 137c tot en met 137f van het Wetboek van Strafrecht (verbod op belediging en aanzetten tot haat, discriminatie of geweld wegens godsdienst of levensovertuiging) beter aansluiten bij het doel kwetsbare groepen te beschermen tegen aanvallen op hun geloof, dan de tekst en opzet van artikel 147 (verbod op godslastering). Daarbij geldt echter wel de beperking dat het verbod op belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst (artikel 137c) geen bescherming biedt tegen belediging van een religie of tegen religieuze symbolen als zodanig, gezien de uitleg die de Hoge Raad aan artikel 137c heeft gegeven. Het is een factor die naar de mening van de Raad aandacht verdient bij de beslissing over afschaffing van artikel 147 en het eventueel zoeken naar alternatieven. De Raad adviseert de indieners de afweging die aan het voorstel tot afschaffing van het godslasteringverbod ten grondslag is gelegd, binnen de in het advies geschetste bredere context te plaatsen. Het wetsvoorstel waarover de Raad advies uitbracht is een initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Van der Ham, De Wit en Teeven. De Raad van State neemt in zijn adviezen over initiatiefwetsvoorstellen geen dictum, of eindoordeel, op. De reden hiervan is dat advisering van de Raad over een initiatiefvoorstel plaatsvindt in een vroege fase van het wetgevingsproces, waarop nog geen andere politieke beslissing is genomen dan van de initiatiefnemer(s). Het opnemen van een dictum in dat stadium zou de schijn kunnen wekken dat de Raad zich voorafgaand aan de politieke weging door de Tweede Kamer reeds uitspreekt.

Lees verder

CIO-web - CIO Interkerkelijk Contact in Overheidszaken
    • Postadres

      CIO-Secretariaat:
      Postbus 13049
      3507 LA Utrecht info@cioweb.nl

      Bezoekadres

      Adriaen van Ostadelaan 140
      3583 AM Utrecht

      Ook op

    • Secretaris

      Mr. Drs. Daniëlle P.J. Woestenberg Ma Ma
      Tel: 030 23 26 928
      d.woestenberg@rkk.nl

      Extra info

      Extra info
      op aanvraag